uit zonder anker
1. Het Congres
“Dames en heren. Laatste avond. Congres. Maat Nul 7E1[1]. Verheugt mij. Bijzondere gast. Welkom.”
Terwijl ze de aandacht van het publiek handig afleidt door een onbestaand stofje van haar blouse weg te pikken, spiekt de sessievoorzitster op haar kaartje.
“Aandacht graag. Professor. Rutger-Pauwel,” een korte aarzeling, “vanden … Caesteckere!”
De introductie door de gastvrouw mag dan wel perfect voorspelbaar zijn geweest, de gebruikelijke dissonant aan het eind komt er niet. Haar specifieke tongval en verknipte spreekstijl verhinderen niet dat ze er wonderwel in slaagt mijn naam helemaal correct uit te spreken zonder een al te gekke bek te trekken.
Het applaus sterft snel weg zodra ik achter de lessenaar plaatsneem. In het publiek leeft een mix van nieuwsgierig gesnuffel, onrustig gespin en zonder meer storend gekrab. Mijn gedachten glijden af naar een recente vakantie in een tropisch paradijs waarvan de naam mij ter plekke ontglipt. Plichtsgetrouw start ik de tape met de elfendertigste versie van mijn succeslezing. Een stem die verdacht veel lijkt op die van Rutger-Pauwel vanden Caesteckere, zuigt prompt de aandacht van de aula naar zich toe. Ik hoef niets anders te doen dan mijn lichaamstaal min of meer af te stemmen op de vermeende betekenis van de opborrelende auditieve signalen. Elke tik of tak van de grote klok achteraan brengt de volgende staande ovatie dichterbij. Ervaring heet dat.
“Zoals u in de samenvatting op pagina veertien van uw congres-documentatie kunt nalezen, staat vandaag mijn recent onderzoek naar verzamelingen van maat nul op het programma. Maat nul, dat concept is momenteel binnen ons onderzoeksveld de gangbare karakteristiek waarmee we de – vanzelfsprekend flinterdunne – grens,” een voor de hand liggend grapje, dat is duidelijk, “tussen het uiterst onwaarschijnlijke enerzijds en het compleet onmogelijke anderzijds trachten te vatten. U ziet die schemerzone best als een enigmatische plek waar vlekjes perfecte regelmaat en druppels totale wanorde nog net naast elkaar kunnen bestaan.”
*
Perfect synchroon met het einde van mijn openingszin gaat plots het schaarse licht in de aula uit. Klank en beeld vallen weg, mijn stem verschraalt tot een iel gefluister. In het donker lichten een aantal ogenparen uitdagend groen op. Een golf van gefladder, gegrom, gestommel en geruis zweeft me tegemoet. Instinctief houd ik mijn adem in. Ik spits mijn oren, maak me achter het spreekgestoelte zo klein mogelijk en bedek uit voorzorg mijn ogen.
“Niet kijken, luisteren!” Ik hoor het mijn moeder nog sissen.
Na enkele ogenblikken gaat de noodverlichting aan. In de zaal maakt de onrust plaats voor opluchting. Een van de jongere deelneemsters bevrijdt zich verontwaardigd en hevig blazend uit de klauwen van een grijpgrage buurman. Afkeurende blikken wijzen vanaf het balkon een hongerige collega terecht die wars van alle etiquette op het punt staat de fors uit de kluiten gewassen zeebrasem in zijn muil op te gooien. Met een uitdrukking van hoe-kan-dat-nu geeft de zondaar de spartelende congresganger prompt weer de vrijheid door hem in de dichtstbijzijnde waterbak te laten vallen.
*
Projector en klankversterking blijven dood, dus verdwijn ik noodgedwongen in de coulissen. De voorzitster staat er daar nerveus bij, het kakelen lijkt haar nader te staan dan het fluiten. Haast ritmisch klikt ze haar kop van links naar rechts, van boven naar beneden. En opnieuw. Het gepiep van krasselende muizen in het plafond stoort haar danig, maar ze acht het beneden haar stand om daar met gezonde agressie op te reageren. Van elektrische circuits heeft ze als carnivoor al helemaal geen kaas gegeten. Daarom zoekt zij net als ik haar soelaas in geduld oefenen. En hopen dat de reputatieschade hoe dan ook binnen de perken blijft.
Nu zijn algemene stroompannes de jongste tijd geen uitzondering meer[2] maar deze duurt echt wel lang. Omdat er na drie kwartier nog steeds geen uitzicht komt op een oplossing, beslist de voorzitster mijn nauwelijks begonnen avondlezing meteen te verdagen tot de volgende ochtend.
“Vlak voor slot,” verzekert ze me. “Genoeg tijd. Nieuwe kans. Plenair. Ook mooi toch? Niet?” voegt ze er met een troostende veeg op mijn schouder aan toe. Sta ik er dan zo beteuterd bij?
“Pil vergulden? Dinertje? Exquis. Toprestaurant. Hier. Congrescentrum,” kwettert ze sympathiek verder. Ik stem toe. Dineren in het restaurant op de hoogste verdieping is een buitenkans waar ik geen nee tegen zeg.
*
Een uurtje later leidt een keurige hofmeester ons naar een met kaarsen verlicht tafeltje in de tropische tuin.
“De vegetarische kaart voor … M-m-meneer?” vraagt hij mij met een te breed uitgevallen glimlach terwijl hij een bankje onder mijn kont parkeert. Die vlijmscherpe tanden op twintig centimeter van mijn nek neem ik erbij. Nu ja, de specifiek op carnivoren gerichte suppressiva doen hun werk naar behoren, dat is ondertussen bekend.
Met een blik van herkenning gaat de hofmeester zich vervolgens uitgebreid bekommeren om de voorzitster. Hij installeert een aan haar soort aangepaste zitstok en helpt haar er fluks op. Zijn jasje met tijgermotief rechttrekkend gaat hij kruiperig over op zijn favoriete bezigheid.
“U, juffrouw, adviseer ik vandaag m-m-met plezier onze delicieuze schildpadspiesjes. De leverancier heeft de borstfiletjes net op tijd voor het diner weten te leveren. Ze zijn verser dan vers dus, van uitstekende kwaliteit, en toch niet te m-m-mager. En weet u wat nog …”
Er worden suggestieve knipoogjes uitgewisseld tussen hofmeester en voorzitster, een handelwijze die volgens mij helemaal niet thuishoort in een restaurant van topklasse. Meer nog, de voorzitster laat zich dat gedoe ongegeneerd welgevallen.
“Met van die kleine stukjes gnoespek ertussen,” gaat de hofmeester trots verder. “Dat herinnert u zich vast.”
Een sliertje kwijl ontglipt de voorzitster.
“Zoals gebruikelijk, juffrouw, verm-m-mijdt de chef in dat gerecht angstvallig het gebruik van groente. Net zoals u het graag heeft. Dat heb ik toch juist, niet?”
Watertandend volgt de voorzitster de suggestie van de hofmeester. Mijn voorkeur gaat uit naar een bescheiden selectie malse savannegrasjes met daarbij een gevarieerde wortelterrine. Rauw, dat is evident. Een stroompanne is nu eenmaal een stroompanne.
*
Een goed uur later ben ik klaar. De voorzitster zit dan al achtenvijftig minuten zonder schroom na te genieten van de schildpadspiesjes. Amper twee minuten had ze nodig om er exact dertien soldaat te maken. Het veertiende heeft ze – zoals het hoort – tot driemaal toe geweigerd toen de hofmeester het keer op keer kwam offreren. Bij de vierde aanbieding kon ze de verleiding niet langer weerstaan. Ze pikte het spiesje per direct van het dienblad, schoot ermee onder tafel en werkte het in een ruk achter de kiezen. Nu ja, bij wijze van spreken.
[1] Alle documentatie in verband met dit lucratieve congres vindt u op www.maatnul7E1.org. De auteur wijst elke aansprakelijkheid af voor slecht werkende links.
[2] Voor een volledig overzicht van de stroompannes in 7E1, raadpleegt u best de stek www.wipikedia.org/stroompannes7E1. De auteur wijst elke aansprakelijkheid af voor slechtwerkende links en eventueel net zo disfunctioneel rechts.