Ongebruikelijke meervoudsvormen, telproblemen en aanfluitingen van logica’s

Het Apostelpleintje had betere tijden gekend.

Tien stevige beuken stonden er nog. Ze waren niet keurig doordacht opgesteld in pakweg een regelmatig bedoelde veelhoek maar vormden een schijnbaar toevallig samenraapsel uit het geslacht fagus, soort sylvatica. Op goed geluk had de voltallige Groendienst ooit twaalf putjes gegraven, de zaailingen erin gemikt en een sigaret opgestoken. De gemeente was er duidelijk nooit in geslaagd een behoorlijke Groendienst uit de grond te stampen.

Onder de gestaag aangroeiende gebladertes speelde zich in de loop der jaren heel wat geschiedenis af. Er werd gewiegd, geplaagd, gejaagd en gevraagd. Er werd gestoeid, geklommen, gezwegen en bezongen. Er werd gewacht, gesmacht, gelachen, geweend, gevoederd, bemoederd, geprobeerd en afgepoeierd. Er werden al eens kinderen verwekt en diezelfde – of andere – kinderen declameerden of consumeerden er als tieners hun eerste verliefdheden. Kortom, het Apostelpleintje was er niet eentje uit de duizend. Er was ook niemand die dat zou durven beweren. ’t Pleintje, zoals de mensen uit de buurt het noemden, was er altijd geweest en zou er altijd blijven. Behalve als de gemeente er ooit in zou slagen een behoorlijke Groendienst te bevolken, wat dan weer heel erg onwaarschijnlijk was.

De grond op het Apostelplein was bedekt met wat nog overbleef van de afgevallen bladeren van tientallen herfsten. Hier en daar was er met de jaren een van de beuken wat verder opgeschoten dan de anderen. Veel maakte dat niet uit. Ooit waren de forse knakkers namelijk samen noot geweest. Ze zouden dus voor altijd hetzelfde aantal jaarringen tellen, die jaarringen zouden bij elk van hen een zelfde groeipatroon tonen. Ze hadden samen genoten van natte lentes en zomers waarin ze tonnen regenwater hadden verwerkt, ze hadden samen gezucht en drooggestaan onder meedogenloos brandende zonnen. Ze hadden elkaars leven gedeeld en waren dezelfde hemel tegemoet gegroeid.

De afwezigheid van generatiekloven maakte dat de plenaire discussies op het pleintje altijd in een sfeer van openheid en weinig woorden verliepen. Nog voor er bij het licht van de ondergaande zon werd gesproken kon je – ook vandaag weer – luisteren naar de vruchtbare stilte die diepgaande vragen suggereerde bij de ouder wordende flora op ’t Pleintje.

Johannes opende de donderdagavondzitting van het Eerbiedwaardig Genootschap van het Gedecimeerde Apostolaat. De hevige jeuk aan zijn oudste knoesten woog merkbaar op zijn concentratie. Hij rilde in de avondlijke bries en verloor de controle over zijn wiebelende nootjes.
‘Er zijn deze week een aantal interessante vragen opgekomen in jullie grijze gebladertes,’ ging Johannes verder, ‘en ik ben zo vrij geweest er daar eentje uit te selecteren dat ondanks de vele voorleggingen blijft leven in onze gemeenschap. De kwestie werd ditmaal voorgelegd door, hij monsterde zijn lotgenoten, over de naam twijfelde hij niet, Jacobus, zoon van een van de Zebedeüssen – mijn moeder weet welke – en ik stel dan ook voor dat hij terzake het woord neemt.’

Jacobus, zoon van een van de Zebedeüssen – Johannes’ moeder wist vroeger welke – aarzelde. Hij leek wel drie meter jonger dan zijn broer Johannes en hield zich mede daardoor vaak op de vlakte zodra de vraagstellingen wat complexer werden. Laatst was hij door Petrus – sinds jaar en dag officieel de oudste apostel – nog op de takken getikt omdat hij de publicatie van zijn evangelie in stripvorm steeds weer op de lange baan schoof. De bijzondere jaarlijkse toelage die hem daarvoor jaren terug door Jezus zelf was toegekend, wilde Jacobus natuurlijk niet zomaar opgeven. Wat door Jezus zelf is vergeven, wis je niet zomaar uit, toch? (JacZeb. 2:9)

‘Komaan, Jacobus, zoon van een van de Zebedeüssen – de moeder van je broer weet welke,’ moedigde Simon de Zeloot hem aan: ‘We hebben er geen flauw idee van of onze eeuwigheden wel even lang gaan duren, man! Steek van wal voor er weer een van ons omgaat.’

Thomas reageerde onmiddellijk op de pathetiek van de Zeloot. ‘Zijn er dan verschillende eeuwigheden?’ liet hij een van zijn gebruikelijke ballonnetjes op. Ergens in zijn kruin hamerde een kolonie hongerige spechten gaten in de celstructuur. Zo geraakte zijn van nature al niet bijster briljante brein opgedeeld in meerdere inferieure denkvermogens. ‘Heeft de Heer zelf ons niet het eeuwig leven beloofd, jongens? Is het morgen echt vrijdag en mogen we dan uitslapen? En moeten die eeuwigheden bijgevolg niet allemaal even lang duren? Zou het de hele week van dit strontweer blijven? Of moet ik een onderscheid in de eeuwigheden aanbrengen dat spoort met de diversiteit aan wiskundige oneindigheden? En hebben jullie trouwens ook zo’n honger?’
De groep bulkte van medelijden met Thomas, zoals de Heer het hen had geleerd aan de oever van een van de meren in Galilea. Echter, niemand schonk aandacht aan het inhoudelijke vraagstuk dat de eeuwige twijfelaar tussen de regels door had voorgelegd, ook niet toen die met een zevental zuchten besloot: ‘Ik weet niet meer wat ik moet geloven, hoor. Hoeveel bedenkingen ik er ook bij maak, er blijven altijd meer vragen over dan antwoorden.’

Ondertussen schroefde Jacobus, zoon van god weet welke Zebedeüs, zijn zesde wortel van links steviger in de grond, liet zijn kruin wat zakken en verloor een vroegrijp nootje toen hij tegen beter weten in toch sprak: ‘Broeders, zijn wij een bos?’

Drieëndertig honderdsten van een seconde later schoten zeven beuken in een onbedaarlijke lachkramp die gepaard ging met hevig geritsel en gekraak. Filippus lachte zich zelfs enkele barsten in zijn zwaar overladen armen. Thomas wist niet of en hoe en wat precies hij moest geloven en gaf zich een air van weldoordachte beheersing door te doen alsof hij glimlachte in zijn slaap. Johannes kreeg het niet over zijn hart zijn broer uit te lachen en Petrus verklaarde met zijn gebetonneerde farizeeërsgezicht tot driemaal toe dat hij niet begreep waarom er zo gelachen werd. Ergens ver weg blafte een hond tijdens de rekenles.

‘Wat jammer dat Andreas en Matteüs dat niet meer mogen meemaken!’ gierde Judas Iskariot in zijn wat aparte hoekje van het plein. Door opvallend de overheersende emotie op het plein te delen, bewees hij eens te meer zijn best te willen doen om de samenhorigheid in de groep te versterken. Helaas, terwijl Judas nog lang niet aan het eind van zijn best zat, was het lachsalvo van de anderen al gereduceerd tot een enkelvoudig, onregelmatig en ongecontroleerd gehik. Dat was natuurlijk afkomstig van Bartolomeüs die na de onweersbui van de avond tevoren wars van elke moraal te diep in de bodem had gekeken.

De sfeer op ’t Pleintje verzuurde verder doordat de negen anderen de aanwezigheid van Judas alweer geconfirmeerd zagen door zijn valse gelach. Taddeüs sprak voor de groep toen hij Judas terechtwees en in een filosofische opwelling meteen de vraag van Jacobus, zoon van die ene Zebedeüs en dus niet van de andere, beantwoordde.
‘Wij zijn een bos en wij zijn geen bos, Judas. Wij zijn een bos, Judas, omdat wij allen van dezelfde stam zijn, gegroepeerd staan en voldoende in aantal om door andere intelligente wezens ook als groep te worden gezien. En tegelijk, Judas, zijn wij geen bos om de eenvoudige reden dat wij geen bos willen zijn.’
Judas kende het vervolg van het sermoen en wenste dat hij zich had kunnen omdraaien. Dat was zelfs voor hem helaas te hoog gegrepen.
‘Jij, Judas, hoort niet thuis in ons bos. Sedert we de Laatste Avondmalen van Andreas en Matteüs hebben gevierd de avond voor zij zich vrijwillig lieten kappen, ben jij niet langer een van ons. Dat was ook de intentie van Andreas en Matteüs en dat weet jij behoorlijk goed. Maar doordat jij je armen steeds weer naar ons toe laat groeien in plaats van in je afgescheiden verdomhoekje te vegeteren en je grenzen aan de andere kant van je opgeblazen stam te verleggen, zaai je twijfel. Daardoor zijn wij een bos en zijn wij geen bos. Een van de bomen die door buitenstaanders juist door het bos-zijn van de andere beuken niet als apart wezen wordt waargenomen maar als integraal deel van het bos, wordt niet als deel van het bos gezien door de elementen die er wel met zekerheid deel van uitmaken. Wij negen, dus.’

De andere Jacobus, zoon van Alfeüs, bleek zijn diploma’s meer dan waard toen hij zijn gebruikelijke stilzwijgen even verbrak om de conclusie van Taddeüs in een erudietere vorm te gieten.
‘In de ene taal zijn wij het ene, in de andere taal zijn wij het andere. Grappig toch dat ons Eerbiedwaardig Genootschap steeds weer op de grenzen van de taal stuit, niet?’

‘Inderdaad, inderdaad, inderdaad,’ knikte Petrus in een opzichtige poging om te doen alsof hij Taddeüs en Jacobus, met zekerheid de zoon van Alfeüs, begreep.
Ergens ver weg telde een hond tot drie. Even leek het alsof hij het aantal logica’s telde.

Een reactie achterlaten