uit De Oogsten

Waarschuwing

het verhaal dat verder volgt is geen verhaal
het is verworden tot een splinter, een onherkenbaar en gemeen fragment,
bebloed restant van een volmaakt, doorwrocht geheel dat ooit verscheen, in zeven velden bloeide maar nooit vervuld een einde vond
het eerste woord vervliegt niet met het omslaan van de bladen,
het laatste komt niet dichterbij
de tekst welt eindenloos, vindt nergens vaste voet, verschraalt, verrimpelt en verdwijnt, vermeden, ongelezen

mijn Engel vind ik niet
ze is niet meer
de tekens van haar dood heb ik gezien,
de sporen van zijn tanden

hij die haar leven bruut vergooid heeft,
haar zalig lijf en zoete ziel verknipt, versneden,
zo zonder zegen haar verhaal gebroken en genadeloos besmeurd,
hij is een Schuldenaar
mijn leed zal hij vergelden,
verwrongen en verminkt zijn eigen einde zeven maal beleven
in al zijn zinnen zal ik angsten zaaien, vetten, oogsten,
en dan pas ongetemperd savoureren het uur dat hij zijn eigen laatste ademtocht veracht

alles is vergeeld tot schijn
doelloos, koortsig sleept mijn pen zich door mijn dagen,
krijt onleesbaar lijnen op een blanke plaat,
begluurt, verdonkeremaant, beklijft misschien
en toch
de tekst bepaalt niet en begrenst niets

elk einde wordt een nieuw begin
elk begin bergt binnenin onafwendbaar het einde
zwaai de deur maar open
nood jezelf in dit ongezegeld graf

vergis je niet
dit verhaal dat niet bestaat is mijn verhaal
de woorden stromen steeds maar door en door
mijn hoofd spuit mijn tekst in mijn tijd
jij mag wat letters zien,
zelfs woorden lezen,
een zin zal je niet vatten

dat is goed nieuws voor jou
luister naar wat ik je zeg
het is verdomd goed nieuws voor jou dat jij de zin van mijn verhaal niet vatten zal
vat je de zin van mijn verhaal,
dan ben je deel van mijn verhaal,
dan leef je kort in flarden die jij zelf nooit ongeschonden zag
krampachtig doe je dat tot je hunkert naar je eigen einde
troost je
jouw einde heb ik gepast gekozen lang voor ik je morzel tekst het leven schonk

ik zeg je
luister goed
ik zeg het nog een laatste keer
dat is goed nieuws voor jou,
verdomd goed nieuws voor jou
word geen deel van mijn verhaal
dat zou je enkel maar berouwen

 

Zondag 22 december 2019

De temperatuur heeft een forse sprong gemaakt. De sneeuw is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor miezerige nattigheid. Op de autoruiten blijven de jongste regendruppels hangen. Ze lijken zwart in het schaarse schijnsel van de straatverlichting. Als je van binnenuit kijkt, konden het net zo goed zwarte druppels zijn.

Bij het station, in een door bomen omzoomde laan, vindt een witte bestelwagen een plekje aan een lantaarnpaal. De chauffeur stapt uit, kijkt om zich heen, opent de schuifdeur aan de straatkant en verdwijnt in de laadruimte van zijn voertuig. Als hij uitstapt, heeft hij een snor opgekleefd en een bril opgezet. Het klassiek ogende montuur vormt een bewuste aanvulling op het zijden sjaaltje rond de hals van de man. Borsalino en zachtleren handschoenen maken het genderfluïde en uitgesproken artistiek cachet compleet. De maquillage vormt net dat ietsje te veel.
‘Je moet mij uitdagen’, had ze hem opgedragen. ‘Wij kennen elkaar niet. Zorg ervoor dat ik jou niet kan mislopen. Maak indruk op me door net voldoende uit de toon te vallen. Verras mij zonder mij te zoeken. Gedraag je alsof je daar niet voor mij bent.’

De deur van de herenwoning aan nummer 27A staat uitnodigend open. “GRIEZELAVOND” is met krijt op de boord rond het bovenlicht geschreven.

De man die uit de bestelwagen is gestapt, aarzelt, als kan hij niet beslissen welke houding hij moet aannemen. Hij beweegt onwennig, lijkt moeite te hebben met zijn ongebruikelijke outfit. Als de wind aan zijn snor rukt, wil hij die in een reflex vaster aandrukken. Daardoor kan hij maar nipt verhinderen dat zijn dure hoed afwaait, waarop hij het hoofddeksel wat onbeholpen steviger vastzet. Als vervolgens zijn sjaal ook nog alle kanten uitgaat en zijn gezicht bedekt, vloekt de man. Hoorbaar. Een wolf in schaapsvacht blijft een wolf. Maar onder deze schaapsvacht schuilt geen wolf. Hier is een leeuw op jacht.
De leeuw ruikt onraad, besluit een ommetje te maken. Als hij een kwartier later opnieuw richting deur stapt, is hij erin geslaagd de uiterlijke metamorfose in zijn persoonlijkheid in te slijpen. Hij is wie hij de volgende uren wil zijn: Een clowneske kruising tussen een ooi en een duif, klaar om te voeden, te hoeden, te spelen, te kirren en te sarren.

In de portiek aan 27A hangt een man, hij is al ver heen. Binnen wordt blijkbaar gul drank geschonken. De man lalt iets wat het midden houdt tussen ‘iedereen welkom’ en ‘laat u maar goed gaan’, werpt een verdwaasde blik op de carnavaleske figuur voor hem en gooit er een paar schunnig bedoelde gebaren achteraan. Dan draait hij zich om en roept, naar binnen. Er komt geen reactie. Dat is ook niet de bedoeling. Voor de vorm belt de nieuwkomer zelf aan – een onbeduidend dingdongetje – en wringt zich langs de dronkaard een halfdonkere gang in. Hij doet alsof hij zich rot schrikt als enkele kinderen opspringen uit een hoop tegen de trap gegooide jassen. Daarop haast hij zich verder langs de trap en komt uit bij een dubbele deur die toegang geeft tot een balzaal.

Een dame op leeftijd schrijdt met uitgestoken hand op de nieuwe gast af. Voor ze begint te praten, ontbloot ze een setje vampierentanden.
‘Ik ben Irma, maar dat wist je wel, zou ik zeggen. Jij bent vast Roderick?’ vraagt ze met wat moeite.
Als de bezoeker zijn naam bevestigt, haalt ze de ongemakkelijke tanden uit haar mond en krijgt hij prompt drie kussen op de wang. Hij wordt verwacht. Natuurlijk wordt Roderick verwacht, daar heeft hij keurig voor gezorgd. Irma’s affiches hingen door heel de stad. Ze was niet eens zo moeilijk te overtuigen.
De gastvrouw wijst naar een soort podium aan het andere eind van de zaal. Roderick tuit de lippen en knikt minzaam terwijl hij zijn lange jas uittrekt. Zijn opvallende hoed houdt hij bewust op. Hij maakt wat overdreven gebaartjes, legt zijn hand een ogenblik op zijn onderbuik, buigt vriendelijk en gaat op zoek naar een plekje voor zijn jas. Na enig vruchteloos zoekwerk besluit hij de jas gewoon bij zich te houden, nu eens achteloos over zijn schouders gedrapeerd, dan weer keurig over zijn arm gevouwen.

Roderick mengt zich onder het publiek. Bewust, een echte kunstenaar zou dat nooit doen als de voorstelling nog moet beginnen. Rodericks eerste passen in de weide vormen bijgevolg een moment van misleiding dat deel uitmaakt van zijn performance. De leeuw verhult zijn manen, gaat op in zijn rol, vlakt zijn ware aard uit naarmate de eerste akte vordert. Zo lijkt Roderick eerst een stille, zachtaardige, luisterbereide gesprekspartner. Misschien drinkt hij wat te vlotjes en gaat hij zich daardoor anders gedragen: matig intelligent, onzeker en op een clichématige manier aanstellerig. Hij praat met een nauwelijks te plaatsen vreemd accent. En hij is verwijfd. Zo op het randje, weet je. Niet dat het niet mag, maar het babbelt zo anders, zo ongemakkelijk.
Schijn bedriegt. Tweemaal.

Achter Rodericks zwart omlijnde, glanzende ogen heeft de leeuw de jacht geopend. Hij hoeft niet eens de hele savanne af te zoeken. Zijn uitgelezen prooi lokaliseert hij feilloos, binnen de tien minuten. Armen en Borsten is present. De lichaamsdelen die op de geblurde facebookfoto’s zijn aandacht trokken, zijn excellent. Twee vliegen in een klap. Of vier. Het hangt ervan af hoe je het bekijkt. Niet te vroeg victorie kraaien. De armen zijn perfect, de borsten zal hij moeten checken.
De leeuw is geduldig. Laat de prooi nog maar wat leven. Tot haar laatste seconde zal ze genieten zelfs. Genade is het voorrecht van de absolute heerser. Op de chat had hij haar tenslotte een unieke griezelavond beloofd. Daar zou hij zich aan houden, dat spreekt voor zich. De tweede akte van de voorstelling zou ze nooit meer vergeten. Nooit meer zou helaas niet echt lang duren.

Een aantal optimistisch ingeschatte vertellers geven present en passeren elk op hun beurt de revue. Er volgt een trits lang uitgesponnen, geforceerd cassante verhalen die geen avonturen beschrijven maar als lege, inhoudsloze woordenregens hooguit voor fantasietjes kunnen doorgaan. Het geroezemoes in het publiek maakt duidelijk dat de meesten het erover eens zijn dat de dames en heren aan de micro niet echt weten waarover ze het hebben.
Denk maar niet dat de leeuw daarbij uit zijn rol valt. Integendeel, alter ego Roderick schrikt mee met de meute, slaat op het gepaste ogenblik zijn hand voor de mond, kijkt weg als dat zo hoort. Onstuitbaar tikt de klok de tijd van Armen en Borsten weg, een zoveelste idioot verkneukelt zich in het opdissen van zijn schotels compleet ongeloofwaardige nonsens, verliest zich in overdreven ranzige details. De leeuw sluit grommend zijn ogen, Roderick zucht, klakt met zijn tong en zoekt ten einde raad steun bij Armen en Borsten naast hem.
Zijn prooi wringt tegen als de leeuw haar vastgrijpt. Armen en Borsten moet die Roderick niet. De acteur in hem trekt onmiddellijk zijn handen terug, biedt zijn excuses aan, gaat snel op zoek naar een andere plek. Weer die handgebaartjes. Wat is hij toch een ezel, zo ongemanierd van hem.
Schijn bedriegt. De leeuw spint terwijl hij de prooi een ogenblik lost en valse hoop laat tanken voor zijn klauwen huid en vlees gaan scheuren. Zo heeft de jager het graag.

De laatste sukkel verlaat het podium. Irma neemt de microfoon van hem over, geeft er een overbodig tikje op en doet vlot haar woordje. Met een pruilmondje en de ogen wijd opengesperd bedankt ze net iets te overdreven alle vertellers voor hun ongelooflijk angstaanjagende verhalen. Er volgt een beleefd applaus. De drank en de hapjes zijn best te pruimen. Irma kucht, laat haar blik speurend door de zaal gaan en leidt dan met gemaakte nieuwsgierigheid de slotact in.
‘Onze laatste gast is een heer die ik tot voor enkele dagen niet kende.’
Ze kijkt even op haar papiertje.
‘Zijn naam is Roderick Verbier. Hij is een Fransman, een beeldhouwer van … roeping, laat ik zeggen, die bijna twintig jaar in ons land woont en,’ ze steekt vermanend haar wijsvinger op, ‘hij heeft de moeite gedaan onze taal te leren. Aan de telefoon kreeg ik de indruk dat die inspanning mooie vruchten heeft afgeworpen. Omdat Roderick het voorbije jaar ook is beginnen schrijven – in het Nederlands wel te verstaan – heeft hij me gevraagd of hij vanavond een try-out mocht brengen. Binnen het thema, dus in de vorm van een griezel- … euh … -gebeuren, zal ik maar zeggen? Om mij te overtuigen heeft hij mij een aantal voorbeeldteksten bezorgd en ik garandeer u: Roderick zal als slotact op deze avond niet misstaan. Hij heeft me expliciet gevraagd hem op voorhand te verontschuldigen voor zijn Franse accent maar niet – en dat heeft hij meermaals benadrukt – niet voor al de rest.’
Er golft een weinig overtuigd lachje door de zaal. De zaal kent Roderick al, de verwijfde rariteit die zich een hele avond lang in elk groepje heeft opgedrongen. De verwachtingen liggen laag. Hier en daar wordt gejoeld. Mensen kijken elkaar aan. Enkele koppels met kinderen zoeken hun kroost bij elkaar en maken aanstalten om te vertrekken.
Armen en Borsten laat zich niet onbetuigd en neemt een wansmakelijk opgedofte dikkerd bij de arm. Ze fluistert hem wat in het oor en hij proest het uit voor hij haar van repliek dient. Terwijl Roderick op aangeven van Irma aarzelend met een stoel het podium opkomt, trekt Armen en Borsten druk kirrend de aandacht. De leeuw lacht. Zij heeft geen idee.

Irma heeft haar rol goed ingestudeerd. Ze wil Roderick de micro geven maar die maakt een afwerend gebaar. Hij zet de stoel een eind rechts van het midden, met de leuning richting publiek. Schijnbaar achteloos wandelt hij naar de uiterste hoek links op het podium en geeft een afgesproken teken aan de gastvrouw. Daarop reduceert die de verlichting in de zaal tot een enkele spot, een half metertje links van de stoel gericht. Het rumoer in de zaal houdt een tijdje aan. Enkele vlotte jongens knippen het zoeklicht van hun smartphone aan. Roderick wacht geduldig in het betekenisloze grijs aan de rand van de scène. Eén minuut.
Het gepraat wordt gefluister, de spot wordt nauwelijks merkbaar verder gedimd tot die helemaal uitstaat. Alleen de verplichte aanduidingen van de nooduitgangen verspreiden nu nog een flauw schijnsel. Uit de grote boxen naast het podium stijgt een milde fluittoon op. Iedereen maakt het stil. Haast onmerkbaar klimt het unisono hoger tot het zodanig scherp klinkt dat het ongemakkelijk wordt. Vooraan pulken de gasten onwillekeurig in hun oren. Plots valt het gefluit weg. Zeven, acht seconden lang kan je een speld horen vallen. Het grote licht in de zaal gaat een fractie van een seconde aan, valt dan terug uit. Iedereen heeft vragend iemand aangekeken. De boxen produceren nu een oorverdovend gekraak, als van een gestoorde radio-uitzending. Ook dat geluid sterft langzaam weg totdat het weer muisstil is.
Uit een verborgen kleine speaker achteraan sluipt gedempt gefluister de zaal in.

‘De deur zit op slot.’

Dan angstiger.

‘Ik krijg de deur niet open. Waar is Irma?’

De hoofden in de zaal bewegen van achter naar voor, van links naar rechts en weer naar achter. Links van het midden pikt een tweede stem in.

‘Is er geen nooduitgang?’

De hoofden lopen de groen oplichtende bordjes af. En onmiddellijk daarop volgt, via dezelfde speaker links van het midden, een vrouwenstem dit keer.

‘Achter het podium, denk ik. Nee, daar! Via de toiletten rechts vooraan.’

Ergens in de kudde beweegt een ooi instinctief naar voren en naar rechts, de rest van de schapen volgt. Achteraan links ontstaat een lege plek. Een van de kinderen die al lang in bed had moeten liggen, begint te janken. De vermoedelijke vader probeert zich een weg te banen naar de hoofduitgang maar in het duister houdt de massa de gelederen gesloten.
‘Meneer Verbier, dit is niet grappig meer!’ roept de man verontwaardigd uit.
Niemand lacht maar onmiddellijk produceren de grote boxen vooraan een onaangename sissende klank die de boze vader tot stilte aanmaant. Een tiental aanwezigen neemt de waarschuwing over. De onzichtbare leider van de kudde schudt het hoofd. Hoe is het mogelijk?

Het kind stopt met huilen. Vanuit de donkere hoek achteraan links neemt een man met zachte maar vastberaden stem het woord. Elke huig-r die hij uit zijn keel perst, neigt naar een vervormde j-klank. In het beklemmende duister stelt die labiele balans de zintuigen van alle aanwezigen op scherp. Iedereen zwijgt. Iedereen luistert. Niemand kijkt.

‘Voel je het?
Voel je het onbehagen dat onder je huid is gekropen, de onrust die wervel na wervel je ruggengraat heeft veroverd, de onmacht die nu sissend rond je hals kleeft en elk haartje rechthoudt op je lijf?
Voel je dat?
Is dat angst?
Noem jij dat angst?
Denk je dat?
Echt?
Waarom denk je dat?’

De stem wacht. De kudde draait zich om, kruipt naar de geluidsbron toe. Samen sterk. Achter het podium morrelt iemand aan een deurklink. De spreektoon schuift op, van kalm naar spottend, elk laatste woord wordt uitgerekt.

‘Alle uitgangen zijn afgesloten.
Er is niks aan de hand.
Tussen daarnet en nu is er niks veranderd.
Alleen de dwang is in de plaats gekomen.
De illusie dat je kiezen kan, ja, die is verdwenen.’

De stem lacht kort, niet meer dan een ademstoot door de neus. Crescendo en accelerando gaat het verder.

‘Iedereen is nu gelijk.
Iedereen blijft hier.
Iedereen blijft leven, of iedereen sterft.
Leven of sterven, het maakt niet uit.
Buiten of binnen, dát maakt een hemelsbreed verschil.
Maar om te kiezen is het te laat.
Je hebt al gekozen.’

Cesuur. Belerend nu.

Is dat een probleem?
Weet je wel zeker dat de deuren op slot zijn?
Waarom denk je dat?’
Wie heeft je dat gezegd?

Een deel van de aanwezigen zetten zich weer in beweging, in de richting van de deuren. De stem schroeft het volume op, gaat gebiedend verder.

‘Blijf van die deuren af, je hebt je keuze toch gemaakt!
Of is het weer die angst?
Denk je echt dat je nu angst voelt?
Ben je, ben je dan bang?
Van mij?’

Gespeelde verontwaardiging.

‘Waarom?
Je kent mij toch?
Komaan!
Denk na!
Zal ik je helpen?
Zal ik je leren omgaan met je angst?’

De stem schraapt de keel, klinkt weer zachter, als bij de declamatie van een litanie.

‘Wanneer heb je van mij gehoord?
Waar kom ik precies vandaan?
Wie heeft mij mijn naam gegeven?
Wie heeft mij aangeraakt?
Wie kan mijn blik benoemen?
Wie van jullie wandelt mee?
Wie van jullie wil mijn thuis zijn?
Wie schenkt zich zonder schroom aan mij?
Wie ademt aan het eind van mijn verhaal?’

In de zaal kijkt elke toehoorder om zich heen, links, rechts, achter zich. Irma is er niet. De volumeknop gaat weer open.

‘Nee!
Irma is niet schuldig!
Ik ben schuldig!
Ik!’

Er klinkt nu een vreemd soort wraakgevoel door.

‘Ik, de dubieuze vreemdeling, ik kwam zomaar binnen.
Ik heb mijn opgeblonken pootje kunstig aangereikt, mijn fijn gestifte lippen juist getuit, mijn hoofd met hoed precies gepast naar jullie toe genegen, een dosis walgelijk gezoen belangeloos aangenomen.
Ik heb genoten van jullie vals onthaal, de deuken en de barsten, het gif in de moraal, net iets te luid geroddel vastgeklonken aan mijn rug.
Ik heb precies op tijd gelachen, verbaasd gefronst, zelf meegedaan, beleefd ben ik gaan zitten, opgestaan, ik ben dichtbij gekomen en weer weggegaan.
Ik was attent, galant, een beetje bijdehand, toch ook met een correcte draai verlegen. Ik heb me afgewend als dat zo hoorde, mijn klauwen ingehaald, mijn staart niet opgeblazen, ik ben geen mens te lijf gegaan.
Ik heb het keurig geprobeerd. Wat kan je mij verwijten?
Als ik ongelegen kwam, dan nog treft mij geen schuld.
Ik heb mezelf niet toegelaten.

Irma?
Ja, natuurlijk. Je hebt gelijk.
Zij is het die nog geen twee uur geleden besloot dat ik de juiste namen noemde, mijn eigen naam en ook de hare. Haar had ik de juiste brief geschreven, de juiste woorden op de juiste plaats. Zij draagt in die zin onherroepelijk de schuld voor al wat nog gebeuren gaat. Dat is niet min. Door haar worden jullie – in eeuwigheid – een ongepast maar onontbeerlijk vat vol scherven in mijn ontwricht verleden.’

De stem klinkt nu hautain.

‘Alles lijkt zoals het hoort. Opgewekt en vrolijk, schattig, blij en knusjes, warm en mooi en teder. Wat jammer dat ik horen kan wat niemand zegt, de zeven geisers van de hel, de regenboog van grauwe kleuren die in ijl gekrijs aan flarden gaat.
Het rode verdriet en de oranje boosheid en de gele afgunst en de groene haat en de blauwe valsheid en de bruine wroeging en de purperen lust.
Ja.
Ik heb gekeken toen jullie ogen spraken, versmoord gefluister opgesnoven, geproefd van fout getimede zinnen.
Jullie hebben dat niet opgemerkt.
Natuurlijk niet, jullie rol is veel te moeilijk, verborgen in jullie verdorven moraal, gekluisterd aan aanbeden normen.
Ik ben vrij. Ik kan jullie zonder zorgen haten, boven jullie hoofden schurken en jullie losweg onderschijten. De deuren sluiten en de fik erin, dat is mijn droom. De wraakgodinnen wekken in mijn ziel. Ik zal ze eren de dag dat ik de moed vind om jullie – genadig! Zeg nooit dat ik niet genadig ben – op te stoken.’

De stem zucht, gaat smekend, haast onhoorbaar, verder.

‘Blijf toch van die deuren af!
Geniet, laat mij de angst in jullie hart boetseren.
Denk je echt dat ik mijn eigen werk hier al zou breken?’

Even kalmeert de kudde maar de preek is niet ten einde. Koel rollen de woorden verder.

‘Weet je nog dat laatste lichtje daar vooraan, de focus van de spot vlak naast de stoel?
Dat is het laatste wat mijn Susan zag, fel licht dat haar warme ogen tot vormeloze gaten reduceerde.
Ze was dan al gestorven, een ding geworden, een betekenisloze koppeling van Vlees en Bloed die ik kort daarna verbrak door broer Vlees en zus Bloed te scheiden. Ze zei geen woord meer terwijl ik devoot en troostend een aubade aan het lieve leven bracht. Zonder zicht was ook haar klank verdwenen.’

De dreiging wordt onderbroken door onderdrukt gesnik en onvervalst verdriet. Gesmoord gaat de stem verder.

‘Zal ik vertellen hoe ik in dingen angst boetseer?
In wat ooit vrouwen waren, mannen, kereltjes veeleer?
Terwijl ze branden, stank verspreiden en sterven zonder leden?
Nee.
Nee, dat geheim wil ik discreet bewaren.
Je zou mijn tranen niet begrijpen die stromen nog voor het laatste bloed al dat verdorven vlees verlaat.
Ik huil niet van pijn, niet van spijt. Ik huil om de leegte, om al wat niet meer is, om het einde van de angst.
Ik dood niet zomaar.
Ik vernietig niet.
Ik verbruik materialen.
Ik boetseer, schep een regenboog van angsten, uit het niet. Langzaam, tot de Angst alomtegenwoordig is, eindeloos lijkt en een eigen onsterfelijk leven leidt. Aan het eind troost ik jou door de angst voor die Angst te vervangen door de zegen van de dood.
Dan ween ik. Jouw verlossing dwingt mij een cesuur te hakken in mijn oeuvre.’

De stem eindigt haast zakelijk, onverwacht abrupt ook, als had het verhaal plots alle belang verloren.

‘Stopt hier dit verhaal?
Wie weet, misschien is het voor jou pas begonnen.
Ik zweer je, dan is het nog lang niet voorbij.
En ik garandeer je: Aan het eind van het verhaal zal je van kop tot teen beseffen wat ik precies met angst bedoel.
Dat volstaat.’

De stem lijkt ermee op te houden, een perfect geritmeerde ademhaling komt in de plaats tot er plots een zucht volgt.

‘Acht, laat ons nu maar zwijgen.’

Het licht floept aan. De kudde wacht gelaten, laveert van verbijstering naar ongeloof en terug. Binnen de minuut ontspannen de meeste schapen zich, alsof de weide weer veilig is verklaard. Ze duiden niet wat is gebeurd maar putten zich uit in betekenisloze golven woorden die uit vele bronnen de meute inrollen.
Grof. Overdreven. Vulgair. Krankjorum. Onrealistisch. Weinig artistiek. Veel te expliciet.
Er stond toch griezelavond, in koeien van letters?

Onnozelaars.

De deur aan de ingang zwaait open. Een lammetje van een jaar of vier met twee blonde vlechtjes kijkt de zaal in en vindt feilloos de juiste ooi. Met een vertrokken snoetje wijst het kleintje op haar knie. Er sijpelt een straaltje bloed in haar witte schoentjes. Daarop streelt de ooi haar over het hoofd en wijst op de EHBO-koffer achter de bar. Onwillekeurig draaien een aantal schapen het hoofd richting tapkast.
De volgevreten ram – inderdaad, dezelfde die aan Armen en Borsten hing – merkt het eerst de benen op die achter het meubel uitsteken en haast zich erheen. Voorzichtig buigt hij zich over het lichaam dat aan het zicht onttrokken is.
‘Het is Irma. Ik denk dat ze flauwgevallen is,’ blaat hij.

Armen en Borsten.
Van bij de eerste seconden van zijn performance had ze geweten dat dit de knappe veertiger moest zijn die ze geacht werd te ontmoeten op de griezelavond. De man die naast haar in het duister stond en vrijpostig zijn arm rond haar schouder legde, die fluisterde ‘Jij maakt deel uit van mijn plan voor de rest van de avond’, die daarnet nog Roderick was geweest en haar nu vastberaden in het duister wegleidde uit de naar links en rechts hotsende kudde, hij was het! Haar hartslag versnelde terwijl ze hand in hand de zaal verlieten via de nooduitgang achter het podium. Zijn suggestie om zich te verbergen in de laadruimte van de bestelwagen nam ze met kloppend hart voor zoete broodjes aan. Hij kuste zo lekker, ze trok zijn handen zonder aarzelen naar haar borsten en stond al halfnaakt toen hij het licht uitknipte.
‘Je bent perfect,’ was het laatste wat Armen en Borsten hoorde, volmaakt synchroon met het kraken van haar nek.

Een goed uur later draait een witte bestelwagen met gedoofde lichten de toegangsweg op naar de chique villa. De garagepoort opent automatisch en de chauffeur maneuvreert het voertuig achteruit de garage in, vlak naast de limousine van de eigenaar, zo dicht mogelijk bij de werktafel. Daarop liggen een stalen etui en een takkenschaar klaar. Op de vloer is een groot blauw dekzeil uitgespreid. De diepvrieskoffer draait op volle toeren.
Terwijl de garagepoort dichtgaat, stapt de chauffeur fluitend uit. Zonder hoed, zonder snor, zonder bril en zonder sjaal. Het clowneske is verdwenen. De armen zijn uitstekend, de borsten behoorlijk. De leeuw spint terwijl hij de takkenschaar wikt in zijn rechterhand. Er is werk aan de winkel.

Een reactie achterlaten