voor al wie gelooft
dat het onmogelijke net zo mogelijk is
als het mogelijke onmogelijk
en
voor al wie gelooft
dat het bovenstaande mogelijkerwijze waar is
zonder dat het onmogelijk onwaar kan zijn
en
voor al wie al het bovenstaande gelooft
zonder al het onderstaande te hebben gelezen
01. De Ontmoeting
We schrijven dinsdag 18 oktober 1661.
Op het rumoerige marktplein van Cambridge, precies op de plek waar de groentekraampjes en de waarzeggerstenten elkaar kruisen, komt Isaac Newton uit het zuidwesten en Jonathan Godwin Amblethorpe uit het zuidoosten. Aan zijn linkerkant krijgt de immer oplettende Isaac een appel in het oog. Onder het gebulder van een overijverige marktkramer begint die zich los te wrikken uit de bolstapeling waarin hij zich bevindt. Jonathan Godwin Amblethorpe gluurt gemaakt bedeesd naar rechts. Het getater, gekwetter en gepiep van een vlucht bloemenmeisjes daar trekt zijn aandacht op hun exquise selectie zure appeltjes, teerhartige perziken, frank blozende meloenen, neuriënde banaantjes, naar het zuiden ruikende kokosnoten, exotische kruidentheezakjes en los daarvan – dampend en enigszins verscholen in zijn ooghoek – een niet bepaald discreet gedeponeerde ezelsdrol.
Reflexmatig besluit de welopgevoede Jonathan Godwin Amblethorpe met een flukse zwenking naar links de onaangename zachtheid van het hoopje te ontwijken. In normale omstandigheden zou Isaac Newton daardoor de koers van het inkomende, starre lichaam gelabeld JGA onmiddellijk herberekenen en de baan van zijn eigen starre lichaam gelabeld IN galant aanpassen. Ook Jonathan Godwin Amblethorpe maakt er trouwens geen gewoonte van onbekenden omver te kegelen en zou tijdig een ontwijkend maneuver inzetten. Helaas, de omstandigheden zijn verre van normaal. Isaac kijkt naar links en Jonathan Godwin Amblethorpe naar rechts. De botsing die volgt is bijgevolg onvermijdelijk maar blijkt in strikt fysische zin niet meer dan een bagatel. Daarentegen wordt het gesprek dat op de milde aanvaring volgt minder doordeweeks.
Isaac Newton kijkt verrast op naar de boomlange Jonathan Godwin Amblethorpe, spant zijn lippen, bijt op zijn tong en komt tot een besluit. Hij kucht en debiteert een uiteenzetting die alle twijfel over zijn afkomst meteen wegneemt.
“Mijn naam is Newton, meneer, Isaac Newton. Ik ben de zoon van Isaac Newton uit Woolsthorpe, Lincolnshire. Mijn moeder Hannah houdt van mij, hoewel ik na de dood van mijn vader tot mijn tiende ben grootgebracht door mijn grootmoeder. Sinds kort ben ik student bij Isaac Barrow, professor Grieks en meetkunde, die zelf na de dood van zijn moeder werd grootgebracht door zijn grootvader, die ook Isaac Barrow heette. De oom van professor Barrow is – u raadt het al – Isaac Barrow, bisschop van St Asaph in Wales en fellow van Peterhouse, het oudste college in Cambridge. Ik lever u dus in een enkel klapje drie Isaac Barrows, twee Isaac Newtons en daarmee welgeteld vijf Isaacs in totaal. Wat is de kans daarop, vraag ik u?”
Isaac Newton zucht om uiting te geven aan zijn overtuiging dat een antwoord niet zal volgen, en slikt voor hij geëmotioneerd verdergaat.
“Ik haat Barnabas Smith, wijlen de tweede echtgenoot van mijn moeder, en in die hoedanigheid zeven lange jaren mijn stiefvader. Ik noem dat creatuur liever Barabas, zoals de misdadiger die Jezus’ lot aan het kruis deelde of verondersteld werd te delen. Ik hoop dat beide Barabassen branden in de hel.”
In eerste instantie merkt de imposante gestalte van Jonathan Godwin Amblethorpe de botsing met Isaac Newton nauwelijks op. Onverstoord blijven zijn ogen zich laven aan de vlucht bloemenmeisjes die na een korte uitbarsting van gelach giechelend de weg vervolgt. Pas als hun getater, gekwetter en gepiep overstemd wordt door de kakelende orakels in de waarzeggerstenten kijkt hij mededogend neer op het klein uitgevallen kereltje dat hem aan het vergasten is op een kwak genealogie vermengd met twee scheppen diepe emoties en een probabilistisch retorisch grapje. Jonathan Godwin Amblethorpe buigt het hoofd ter begroeting. Hij schraapt de keel en bedwingt net op tijd een opkomende neiging om zich ter plekke, in het midden van een druk marktplein, te scharten waar dat zelfs in oktober 1661 als ongepast wordt beschouwd. Pas als hij die primitieve impuls onder controle heeft, neemt hij op gedempte toon het woord.
“Mijn naam is Jonathan Godwin Amblethorpe. Deze botsing mag u volledig op mijn conto schrijven, mijn waarde. De krachten die mijn atletisch lichaam aansturen, dwingen het soms in dermate vreemde banen dat ik het enkel als een dood lichaam kan beschouwen dat de opgelegde – hoe zal ik die dingen noemen? – versnellingen willens nillens moet ondergaan. Zelfs de meest simpele tik genereert voldoende – hoe zal ik dat ding noemen? – kracht om het dode lichaam van het gebruikelijke rechte pad af te brengen en zo te lanceren op een ander even rechtlijnig traject. Helaas is mijn brein niet in staat afdoende en snel de gepaste reacties op te wekken voor de aan dat lichaam opgelegde acties. Vandaar ook dat ik het als dood bestempel. Het gevolg van die ontkoppeling van brein en lichaam is dat in mijn levende wereld actie totaal niet gelijk is aan reactie, als u begrijpt wat ik bedoel. Het is me wat, de beweging van dode lichamen in een levende wereld! Die formulering op zich klinkt trouwens al danig absurd, niet?”
Isaac Newtons mond valt open van verbazing. Het lijkt alsof hij het licht ziet en er een aureool van genialiteit verschijnt rond de kruin van Jonathan Godwin Amblethorpe. Die gaat ondertussen door op zijn elan in de overtuiging dat een uitgebreide voorstelling in deze abnormale omstandigheden als niets meer dan elementaire beleefdheid wordt beschouwd.
“Mijn naam is dus Jonathan Godwin Amblethorpe. Ik stam af van een vervaagde Normandische krijgsheer die ooit als een perfecte – zij het anachronistische – indiaan het favoriete paard van Willem de Veroveraar heeft getemd. Ik koester de klanken, de kleuren, de smaken, de vormen en de geuren omdat die als elementaire bouwstenen aan de basis liggen van wat de heren en dames van stand met enige gêne kunst met een grote K noemen. De fenomenen die anderen aan nauwgezette analyse onderwerpen en als mentale hyena’s in steeds kleinere entiteiten uiteenrukken, dienen voor mij geen andere of meer modeste ambitie dan het bereiken van een einddoel dat ik nu eens als mijn utopische Athene en dan weer als de ultieme artistieke synthese bestempel. In plaats van bij te dragen aan het steeds verder ontrafelen en vergruizelen van wat neofiete wetenschappers pronkerig het heelal noemen – u weet wel, de beweging van dode lichamen – laaf ik mij aan visioenen waarin ik een voorafbeelding aanschouw van die ultieme artistieke synthese, dat utopische Athene, die unieke creatie waarin die rafels en dat gruis door een levende mens worden verzameld. Alle elementaire bouwstenen wil ik daarin terug bijeenbrengen, begrijpt u? Ik kijk uit naar de dag waarop ik zal ontwaken met het verlossende inzicht dat mijn bestaan zin zal geven. Nochtans vrees ik die dag ook, omdat ik besef dat precies het bereiken van dat doel de zin zal ontnemen aan mijn fanatieke streven terwijl ik net aan die ongebreidelde inspanning een intens genot ontleen. De vraag of ik eenzelfde genoegen zal ervaren aan het einde of zelfs na het einde van mijn zoektocht, speelt mij onophoudelijk parten. De zin van het leven? Of de zin in het streven? Wat zou u verkiezen als naar slechts één van beide uw voorkeur zou mogen uitgaan?”
Opnieuw slaat de bliksem in, daar op het kruispunt van groentekraampjes en waarzeggerstenten. Beide mannen happen naar adem, in hun ogen wellen tranen op en unisono slaken ze een kreet. Terwijl de bloemenmeisjes in een sierlijke formatie de rand van het plein bereiken, kijken ze verrast achterom. Ogenblikkelijk stoppen ze hun taterende, kwetterende of piepende uitwisseling van roddel en kleine en grote weetjes. Sommigen onder hen pinken prompt een traantje weg als ze zien hoe Isaac Newton en Jonathan Godwin Amblethorpe snikkend in elkaars armen vallen. Zonder verdere duiding begrijpen beide jongelingen elkaars innerlijk en kunnen ze daardoor exact die woorden vinden die de ander een soort existentiële troost verschaffen.
De marktwandeling van enerzijds de iconische figuur die al drie Nobelprijzen heeft gewonnen lang voor die zijn uitgevonden en anderzijds de quasi onbekende telg uit een roemrijk geslacht, leek bij hun vertrek die ochtend waarschijnlijk weinig voeten in de aarde te gaan hebben. En geschiedenis is dan al onderhevig aan toeval en de realiteit van gebeurtenissen mag zelfs systematisch uitgegomd of bijgekleurd worden via verwoording of duiding achteraf, die mankementjes zijn hier allemaal irrelevant. Wat telt is dat de geniale wetenschapper en de schatrijke edelman die dag boezemvrienden worden. Zij twee beseffen het ten volle als ze de reis langs wederzijdse introductie, inslaande bliksem en emotionele omhelzing als bij toeval afsluiten met een synchroon uitgesproken vraagje. Een iconisch ogenblikje wordt het, ingeleid door een beiaard die tien bronzen klokslagen uitstrooit over Cambridge.
“Tien uur?” luidt het eenstemmig. “En het is vandaag dinsdag? Zou de Red Lion al open zijn?”
In 1661 leerden studenten verduiveld snel.