lees dit eerst
wat heb je nu in de hand?
is dit een boek?
een echt boek, vol met tekst?
denk je dat?
wel, wel.
je hebt het mis!
dit is geen echt boek.
lees het maar,
als je zin hebt.
maar weet,
er is meer dan de tekst.
dit boek is een stuk.
een stuk?
nou, mooi.
wat is dat nu weer?
wel, lees eerst de tekst.
speel dan na wat je las.
toon wat je voelt.
dat je weet waar het om gaat.
dat is een stuk.
soms gaat het mis.
je zegt een zin fout.
je bent een woord kwijt.
of je toont niet wat je voelt.
dan is het stuk niet echt.
geen erg.
leer de tekst goed.
leer hem uit je hoofd.
speel het stuk dan nog eens.
tot je meent wat je zegt.
dat lukt wel.
na een keer of drie.
dit is een stuk voor twee.
een kind en een bot.
als je het zo speelt,
is het mooi.
met een vriend.
of met je zus.
of met je bot.
ha ha.
spreek goed af wat elk zegt of doet.
ben je klaar?
roep dan je mam of pap.
je oom of buur?
haal die er ook maar bij!
speel het stuk voor echt.
en buig aan het eind.
dat is pas echt echt!
wie zijn dat nu, het kind en bot?
wel, dat zit zo.
het kind woont in een huis.
naast het huis staat een boom.
dat is al.
er is geen dorp.
niet nog een huis of zo.
er is zelfs geen weg.
een huis en een boom.
niets meer dan dat.
dat is gek.
maar het is wel zo.
het kind is zes.
het heeft geen mam en ook geen pap.
die zijn niet ziek, niet weg, niet dood.
ze zijn er niet.
nooit.
hoe kan dat nu?
loopt dat niet mis?
wel, nee!
bij het kind woont een bot.
die wast en kookt.
hij doet de poets.
hij maait het gras.
ja, bot is top!
zo.
zo zit het dus.
nu gaat het stuk van start.
ik hoop dat je het leuk vindt.
het kind, bot en poes
(het kind zit op een bank.
het tuurt naar de grond.
bot komt op.
hij ziet het kind.
hier is wat aan de hand, weet hij.)
bot:
(tot de zaal)
wat kijkt het kind sip!
vreemd.
net was het nog blij.
(bot denkt na.
traag komt hij tot bij de bank.)
bot:
(tot het kind)
dag kind.
wat lijk je sip.
is er wat mis?
(het kind kijkt niet op.
het zegt niets.
bot krabt zich op de kop.)
bot:
(zacht)
laat ik je met rust?
(het kind kijkt niet op.
het schudt het hoofd.
bot neemt plaats naast het kind.)
bot:
ik help je graag, hoor.
als je dat wil,
zeg dan wat er scheelt.
(bot wacht.
een paar keer wil het kind iets kwijt.
het kijkt kort naar bot maar houdt zich in,
keer op keer.)
bot:
(schudt het hoofd)
je bent … niet ziek.
(het kind schudt het hoofd.)
bot:
(schudt het hoofd)
je hebt … geen pijn.
(het kind schudt het hoofd.)
bot:
(steekt zijn duim op)
niet ziek.
geen pijn.
dat is goed.
(wacht)
maar je bent … niet blij.
(weer wil het kind iets kwijt.
ook nu houdt het zich in.
bot denkt na.)
bot:
(plots)
je bent iets kwijt!
(het kind lacht kort,
kijkt lang naar bot
en schudt het hoofd.
bot denkt nog eens na.)
bot:
(zacht)
ben je … bang?
(het kind kijkt op.
het kruipt bij bot op schoot.
bot streelt het kind door het haar.)
bot:
(nog steeds zacht, knikt)
je bent bang.
(het blijft lang stil.
dan slaakt het kind een zucht.)
kind:
(buigt het hoofd)
ik ga dood.
(bot schrikt hard.)
bot:
maar … je was toch niet ziek.
kind:
ik ben nu niet ziek.
maar ooit, als ik oud ben,
dan word ik ziek.
erg ziek.
en dan ga ik dood.
bot:
(knikt, weet wat er mis is)
je mist poes, is het niet?
kind:
ja, maar zie je …
(wacht, kijkt naar de grond, dan naar bot)
poes was ook eerst ziek.
erg ziek.
en dan ging ze dood.
voor mij is het net zo.
ik ben ook een dier.
(knikt hard)
een soort aap of zo.
bot:
(lacht)
ja, dat is juist, kind, maar …
kind:
(net of bot niets zei)
als ik in een boom klim,
en mijn hand glijdt weg.
dan val ik uit de boom,
op mijn hoofd.
wie weet breekt mijn hoofd wel af!
bot:
(plaagt het kind)
mmm … , durf jij al zo hoog?
je hoofd is best wel hard.
zo snel breekt dat niet af.
(het kind steekt zijn tong uit.)
bot:
(tikt het kind op de neus)
maar … je hebt een punt.
ooit ga jij dood.
straks.
of als je oud bent.
ooit is het zo, ja.
vind je dat eng?
kind:
(vindt het vreemd dat bot dat zegt)
nou, … , ja!
bot:
en … wat is er zo eng aan dood gaan?
(wacht)
wat vind je het meest eng?
kind:
(weet bot dat dan niet? huh?)
maar bot, als ik dood ben,
dan kan ik toch niks meer!
(luid) dan lig ik daar maar.
ik lach niet meer,
zing niet meer,
speel niet meer.
(wacht en denkt na)
ik huil zelfs niet meer.
en … weet je …
(het kind kijkt bot aan en denkt lang na.)
bot:
zeg het maar, hoor.
kind:
wel, als ik dood ben,
dan slaap ik niet, weet je.
en ik ben ook niet stuk of zo.
dan blijf ik … dood.
bot:
(knikt)
dat is juist.
dood zijn is niet net als stuk zijn.
kind:
(legt uit)
als jij stuk bent,
dan help ik jou.
en als je cel leeg is ook.
en dan leef je voort.
bot:
(knikt)
ja, als de cel in mijn buik leeg is,
dan schroef jij die cel uit.
je neemt een cel uit de kast
en schroeft die dan in mijn buik.
(het kind knikt ook.)
kind:
dan zit jij weer vol stroom.
zo blijf je sterk en slim
en (steekt weer zijn tong uit) gek.
dat gaat steeds goed.
je staat wel stil en doet een tijd niks.
maar dat duurt maar een tel of tien.
dan gaat het
(doet bot na)
‘biep biep, zzz, zzz, tuut, tuut’
en kom je weer op gang.
niks aan de hand.
bot:
(lacht)
weet je, jij lijkt net een bot.
je aapt mij al goed na.
(bot kijkt het kind lief aan.)
maar je zit juist.
leeg zijn of stuk zijn is niet dood zijn.
kind:
wie dood is, is ook stuk of leeg.
maar er is niks dat nog helpt.
dus blijf je dood.
(kijkt nu weer sip,
tuurt naar de grond
en veegt een traan weg.)
(traag) eerst dacht ik dat poes sliep.
ik gaf haar een duw.
ik trok zelfs aan haar staart.
dat was niet lief van mij.
daar heb ik spijt van.
want poes sliep niet.
ze was dood.
maar nu kan ik er niets meer aan doen.
(bot troost en wiegt het kind)
bot:
(denkt na)
of … toch!
kind:
(kijkt naar bot)
wat dan, bot?
hoe maak ik het goed met poes?
bot:
denk eens aan poes en zeg mij wat je denkt.
(het kind vindt dat wat gek
maar doet toch wat bot vraagt.)
kind:
(praat net als in een droom)
het is mooi weer.
poes ligt op een stoel in de zon.
na een tijd valt ze in slaap.
plots hoort poes iets.
ze komt recht,
springt van de stoel af.
ze loopt naar mij.
met haar kop stoot ze mijn been aan.
ik streel haar pels.
nu spint poes luid.
dan houd ik poes wat voor,
een stuk koord of zo.
dat vindt ze fijn.
ze valt aan en duikt dan weg.
keer op keer.
als ze moe wordt,
stoot ze mijn been weer aan.
dan geef ik haar een hap.
die smult ze op
voor ze bij mij op schoot springt.
(lacht) en weer in slaap valt.
(het wordt stil.)
bot:
weet je, kind, poes is nu wel dood.
toch denk jij aan haar.
(bot kijkt het kind aan en houdt een oog dicht)
is poes dan wel echt dood?
ze leeft toch nog in je hoofd en hart?
(het kind kijkt op naar bot en lacht breed.)
kind:
wat ben jij toch wijs, bot.
poes is dood en toch leeft ze nog.
wat koel!
(bot lacht nu ook en geeft het kind een zoen.)
kind:
zeg, bot, weet je wie daar ook zit?
in mijn hoofd en hart?
bot:
euh … (weet het niet)
(het kind geeft bot een por)
kind:
jij!
bot:
oh, dat is fijn.
dus ik ga nooit echt dood dan?
weet je wat nog?
kind:
nee?
bot:
jij zit in mijn hoofd en hart.
dus …
kind:
(snel)
ga ik ook nooit echt dood.
(wacht, kijkt bot aan)
koel!
(lacht en springt recht)
nu ben ik weer blij.
bot:
(staat ook op)
ga je mee?
(bot neemt het kind bij de hand.
ze gaan af.)