uit Alle Dagen Anja

Dag Elf met Anja – donderdag 30 juli 2020
De liefde, en de zonde

De avond meerde aan. Rijken zochten beschutting in hun dure hotels. Minder gefortuneerden, die evenzeer en zelfs dringend de liefde zochten, dropen af richting randparkings. Langzaam liep de stad leeg. Als Bijbelse geliefden die de dramatiek van de erfzonde zouden weten voor te blijven, zo struinden Anja en ik door verborgen steegjes en langs de kanalen en kanaaltjes van La Serenissima, de Doorluchtige Dame. Eerst doodgewoontjes, hand in hand, met zijn tweeën aan elkaar gekluisterd in de massa schapen, zwevend boven een wervelende weide.

Anja nam de leiding. Zonder dat ik een woord zeggen moest, vertelde en vertelde ze. Ze had jarenlang de wereld rondgereisd en gezongen in de grote operahuizen in Tokyo, Sydney, Milaan, New York. Dat waren eerder kleine rollen want, ze zei het bijna verontschuldigend, een echte topsopraan wilde ze zichzelf niet noemen. Toen was de Liefde – je weet wel, dat soort liefde dat je met een hoofdletter schrijft – om de hoek komen kijken, had ze haar carrière onderbroken en een tiental jaren heel doordeweeks geleefd. Een paar jaar geleden – ze sprak niet meer over de liefde – had ze de draad van het zingen weer opgenomen zodat ze nu recitals verzorgde voor een select publiek overal in Europa. Dat betaalde goed en het was lang niet zo uitputtend reizen.

Twee- of driemaal per jaar kwam ze in Venetië, een stad die ze op haar duimpje kende. Dat werd snel duidelijk. We stootten op pleintjes, kerkjes, angstvallig geheimgehouden parkjes zelfs, en zo achter die eeuwenoude façades op het gewone leven in de mooiste – ze plaatste er nadrukkelijk geen vraagteken bij – stad ter wereld. We lachten naar spelende en zeurende en kirrende kinderen. Uit handig verborgen supermarktjes doken senioren op met tot ruim over de rand gevulde boodschappentassen. Die waren door de jaren heen doordrenkt geraakt van de geur van de zuiderse kruiden die ze hadden geborgen.

Anja voelde de stad aan, als was die lang geleden al een beste vriendin geworden. Net zo voelde ook zijzelf voor mij bij iedere stap steeds meer vertrouwd aan, even vanzelfsprekend als het beeld van de tientallen Venetianen die onder een sporadische, alleenstaande boom een praatje sloegen met vrienden die voor altijd meer zouden betekenen dan toevallige stadsgenoten. Wij wandelden verder, steeds verder, door de stad en op onze weg. Brugje na steegje werd alles steeds meer goed en mooi en vredig. Ten langen leste, met Arcturus, Vega en Spica al schitterend aan de hemel, werd het op aarde stil. Vrij plots was de nacht gevallen. De stad rondom ons doezelde weg in een deken dat van langsom minder licht doorliet. De rond om rond oplichtende lantaarns en vensters bevestigden dat de Doorluchtige Dame klaar was voor de nacht en verlangde naar haar dromen over de volgende dag. Daarop zou ze weer even terecht en onterecht als andere dagen uitvoerig bewonderd en misprezen worden.

Anja kwam dichterbij. We liepen niet langer hand in hand. Haar lichaam omsingelde dat van mij, langzaam gomden haar zijdezachte handen mijn huid uit. De minste aanraking van haar mondde uit op een lagune van verlangen. Ik genoot ervan dat ze geleidelijk veranderde in een hongerige leeuwin. Net als toen op de top van de Vuurberg had ze mijn linkerhand in de greep van haar rechterhand, haar linkerarm hield ze geklemd rond mijn bovenarm. Ik was haar prooi, zij zou die greep niet lossen. Zo gaf zij voorlopig of definitief vorm aan haar antwoord op het Echte Vraagteken. Dat was voor haar de betekenis die de liefde op die plek voor haar had. Bijgevolg moest ook ik daarmee voorlopig of voorgoed verder. In de San Marco had zij een duidelijke grens getrokken. Zij had niet willen zeggen dat zij van mij hield. Twee keer had ze mijn vraag straal genegeerd. Zelfs de derde keer zou ze het niet hebben uitgesproken. Het was dus te vroeg om mij te aanbidden en te vroeg om mij te verloochenen. Er kon in haar wereld nog geen sprake zijn van belofte of bedrog.

Haar stad en haar wereld stonden aan haar kant. Geen wolk was er die aan de hemel sterren schrapte. Steeds opnieuw werd Anja’s stille smachten door de eindeloos oplichtende Perseïden herhaald. Vannacht ben jij van mij, ik ben van jou. Dat was wat ze me met haar hele lichaam duidelijk maakte. Elk ander woord zou overbodig zijn geweest, opdringerig zelfs en dus ongepast.

*

De klokken zwijgen. Ons bootje ligt stil tussen Giudecca en het lazaret-eilandje La Grazia, op de rand van een ondiep stuk zoals de lagune er zovele telt. Op de zetel in het midden van de gondel zit Anja schrijlings op mij. Op haar Birkenstocks na is zij naakt. Mijn voorhoofd klemt ze tegen haar kin. Ze kijkt naar boven, ze geniet na van de vergiffenis in de Schepping. Ik heb mijn armen rond haar middel, laat haar voorzichtig weer los, streel zachtjes over haar rug. Er staat geen wind, geen deining, geen stroming. Rondom ons is het water volledig vlak. Hier is geen geluid, geen licht of kleur, geen zoet, geen zuur, geen zweem lavendel. Er is enkel zacht en warm en teder. Loepzuiver wordt het uitspansel op de waterspiegel afgebeeld.

Anja zucht. Ik zie wat ze denkt, ik zeg wat zij ziet.

“De Grote Beer staat recht voor jou. Erboven, iets naar links, zie je de Kleine Beer. En dan zie je een sliert sterren die begint tussen beide in, die kronkelt naar boven en terug naar beneden om daar uit te monden in een soort kop. Dat is …”

Ze knikt.

“De Draak?”

Anja verstaat me, zonder woorden.

“Maar wees op je hoede, Draak, vanuit het Westen jaagt de stoere Hercules je op.”

Haar greep verstrakt. Ze buigt zich naar me toe. Haar lippen zoeken de mijne. Anja hunkert, de gondel wiebelt. Zodra onze monden elkaar vinden, verandert mijn zicht op het heelal in een betekenisloze golfslag. Van mijn illusie van daarnet blijft niets meer over. Haar universum, de wereld zoals die in werkelijkheid is, bestaat wel verder. Mijn waarheid verdraagt het water rond ons niet langer, het spiegelbeeld dat de realiteit driest beperkt is verdwenen. Alle sterren bestaan nog slechts eenmaal, ik kan ze niet meer vangen.

“Jij bent stapel op mij, ratje.”

Ze kijkt door me heen.

“Dat kan je wel zeggen, ja. ”

Ik sluit mijn ogen, hoop op een volgende zoen.

“Wat je daarstraks vroeg, aan het altaar in San Marco, vind je dat belangrijk?”

Niet nu, Anja. Nog een zoen, nog een.

“Misschien, ik weet niet …”

Anja spreekt nu toch haar antwoord uit terwijl ik mijn hoofd weer tegen haar borst vlij.

“Jij bent echt, ratje. Zo bijzonder. Ik geniet van je als je van die gekke toeren uithaalt. Ook als je me in je armen houdt, als je mijn lichaam verkent, als je mijn zinnen afgaat. Ik durf aan jou te denken als ik zing, ik haast me naar je toe als het kan, ik haat het als ik moet vertrekken.”

Met haar vingers trekt ze lijnen op mijn aangezicht, kamt ze door mijn haar.

“Bij jou voel ik me blij, gelukkig, vredig. Op dat moment telt alleen dat moment. Harde beloftes of plannen voor de toekomst of vergelijkingen met vroeger horen daar niet thuis. Ze vervagen, verkruimelen, verdwijnen in jouw handen. In het Engels klinkt dat dubbel en daardoor ook mooier, duidelijker zelfs. Ratje, you are my present. Jij bent niet alleen mijn heden, tegelijk ben je mijn cadeautje, telkens opnieuw. Bij jou verdwijnen mijn zorgen en mijn eenzaamheid. Is het dat wat jij bedoelt als je zegt dat je van mij houdt? Heeft het belang? Dat zijn toch maar woorden, en niet meer dan dat?”

Ze lijkt wel medelijden te hebben met me. Piëta.

“Weten we niet allebei dat we dit al eerder hebben beleefd en dat het morgen al voorbij kan zijn? Maak je je daarover zorgen? Dat kleine stuk van jou dat ik heb leren kennen, dat zal ik voor altijd koesteren, dat kan ik zonder spijt inpassen in mijn eigen verhaal, dat zal ik nooit uitwissen. Zoals dit zalige fragment dat we nu opschrijven, elk in ons eigen boek, waar het voor elk van ons een eigen plaatsje krijgt. Maar hoe die verhalen vandaag of morgen verdergaan, dat weet ik niet. Die vraag stel ik me niet. Nooit meer eigenlijk. Jij hoeft mij niks te beloven, en ik beloof jou niks. Alleen dan kan ik je elke dag ontvangen als een nieuw geschenk, begrijp je? Ik kan niet in de toekomst kijken, dus ben ik liever vandaag blij met wat jij mij op dit ogenblik geeft.”

Anja neemt mijn hoofd in haar handen en zoekt de sterren in mijn ogen.

“Voor jou geldt toch hetzelfde?”

Dat is niet juist.

Mijn hart herhaalt met elke tik dat het deze Anja is op wie ik mijn hele leven heb gewacht. Elke splinter van wie zij was of is of zal zijn, was in mijn verhaal al ingeschreven lang voor ik haar zelfs maar had ontmoet. Het is die droom die nu eindelijk werkelijkheid wordt, het is dat verhaal dat zich in ons ontvouwt zoals de Schepper het daar heeft gezaaid. Ik kan vandaag alleen gelukkig zijn als ik weet dat Anja er morgen ook nog is. En overmorgen, en alle dagen daarna.

Ik antwoord niet.

Anja slikt, haar stem trilt als ze verder gaat.

“Weet je, ratje, er is iets wat ik je moet vertellen.”

Ik kijk verbaasd.

“Is er …”

“Maar nee, gekkerd. Alleen …” Ze ademt diep in, zucht. “Nee … Niet nu.”

Ik glimlach, onwetend als een pasgeboren kind over het feit dat de Schepper die heerst over hemel en aarde en over goed en kwaad, de kiemen fatum en toeval die Hij in mijn verhaal heeft geplant de komende uren in een wrede richting zal dwingen te groeien. Anja leeft verder in de echte wereld, ik in mijn droom.

“Zullen we Rodolfo’s bootje terugbrengen en naar de kamer gaan? Een douche hebben we zeker verdiend. En we mogen die lieve Giuseppe niet ongerust maken.”

*

Een klein half uurtje later ligt de gondel netjes weer op zijn plek. Anja en ik zijn te voet op weg van de Piazza San Marco naar het hotel. We slenteren voorbij de fermata San Marco langs de kade. Daar gaan we haaks rechts de Calle Vallaresso in. In de nauwe straten is de drukkende hitte gevangen gebleven. Ook heeft mijn draak eerder massa’s vuur gespuwd. Nu krijgt ze trek in iets fris. Dus keer ik hoffelijk op mijn stappen terug, zonet aan de fermata zijn we een automaat gepasseerd die drank en snacks bedeelt.

Lang loopt Anja niet alleen, vijf minuten, meer kan het niet zijn. Voor het noodlot is dat ruim voldoende, soms volstaat een fractie van een seconde al. Ingenieus is Hij wel, die Schepper.

Eén minuut. Ik arriveer aan de automaat, bekijk het aanbod, zoek de juiste muntjes. Geklik en gezoem. Het gevraagde wordt netjes in een plastic tasje afgeleverd. Niet echt ecologisch, maar het loopt makkelijker. En het helpt ook tegen zwerfvuil, durf ik hopen. Ik ben me van geen kwaad bewust.

Twee minuten. Ik ga achter Anja aan. Die is een aantal keer blijven haperen aan de boetieks in de Calle Vallaresso en kuiert verder. Ik houd mijn vaart wat in. Zo kan ik Anja kort gadeslaan en opnieuw ontmoeten. Als was het de eerste keer, net als toen in de trein. De schemering begint al voorzichtig het duister van de stad af te borstelen. Toch zijn de straten in alle vroegte niet helemaal verlaten. Tussen Anja en mij in loopt een ouwe taart met een taai mannetje aan de arm. Zij voert het hoogste woord, in dat authentieke Venetiaans dat je hier soms hoort, vermoed ik. De ritmiek in hun geagiteerde conversatie wordt ondersteund door de wandelstok die het mannetje stoer hanteert. Hij beaamt wat ze zegt of niet zegt, veel verschil maakt dat niet uit. Intussen spreekt de kracht van de tik boekdelen.

Drie minuten. Vlak achter het bejaarde koppeltje houdt een cretino er flink de pas in. Die idioot is een grote kerel. Als hij de oudjes passeert, merk ik dat hij Anja aandachtig bestudeert, zijn ogen branden gaten door haar lijf en nemen zo haar handtas in het vizier. Die positioneert ze – in de stad van de cretino’s is dat aangewezen – schijnbaar veilig op haar buik, bedekt door haar hand. Deze cretino is verduiveld een kenner. In een oogopslag moet hij de authentieke Hermès geïdentificeerd hebben aan de hand van die typische draagriem rond Anja’s nek. De inhoud zal deze cretino als een bonus beschouwen, hij gaat ervan uit dat de handtas zelf vele malen meer waard is dan alle rommel die erin zit.

Daarom haast de cretino zich naar Anja. Daarom selecteert de cretino Anja, in plaats van de makkelijke oude taart en haar nijdig tikkende mannetje. Daarom observeert de cretino Anja niet meer dan een paar tellen. Daarom kijkt de cretino hooguit één keer achterom. Daarom ga ik achter de cretino aan, voorbij de taart en het mannetje.

Vier minuten. Anja gaat al linksaf, de Salizada Moise in, de cretino volgt, ik hoor zijn stem maar ik versta hem niet. Ik begin te rennen en ga ook de hoek om. Anja is bang, dat weet ik zodra zij mij aankijkt.

Waarom roept die cretino Anja iets toe? Waarom spreekt de cretino niet duidelijker zodat ik hem tenminste kan verstaan? Waarom begint de cretino met zijn rechterhand te woelen in de zak van zijn smerige broek als ik hem in het oog krijg? Waarom brengt de cretino Anja aan het schrikken? Waarom overvalt de cretino Anja als ze nog maar net de hoek om is? Waarom merkt de cretino dat de paniek in haar ogen oplost als ze ziet dat ik er ben? Waarom draait de cretino zich om als een roofdier dat zich betrapt voelt vlak voor de fatale slag vertrekt? Waarom weet de cretino niet dat hij de leeuw niet mag wekken? Waarom houdt de cretino zijn rechterhand in zijn broekzak niet gewoonweg stil? Waarom is die cretino precies daar en op dat moment en met die intentie en met die verkeerde inschatting van zijn kansen in een directe confrontatie met de leeuw? Zeg het mij!

Vijf minuten. Zijn lompe hand raakt geen millimeter uit zijn broekzak. Met een ruime zwaai zweeft mijn tasje zijn vuile tronie tegemoet. De verstevigde rand van het blikje raakt zijn stomme kop net boven zijn dwaas hoger flitsende wenkbrauw, splijt zijn vlees, verdooft hem. Klaar voor de slacht is hij. Met volle kracht lanceer ik mijn linkervuist en laat die stormram spinnend zijn plexus torpederen. Nog voor zijn knieën het daardoor begeven, trap ik zijn benen onder zijn lijf uit. De ochtend van de cretino is voorbij, hij plooit zonder het te beseffen. Ik draai hem op zijn rug en graai in zijn zakken.

*

“Anja?”

Anja staat achter mij. Anja is veilig. Ik kijk haar aan, zie haar mond. De glanzende ogen. Wijd open. Bewondering. Verbazing? Angst?

“Alles is in orde, Anja. Je krijgt dadelijk je whisky-cola. Alle blikjes zijn intact.”

Ik wil graag lachen maar de wolf maakt het mij duidelijk: De angst van Anja is geen angst voor de cretino.

“Het is voorbij, Anja,” insisteer ik.

Angst die er niet was, die er niet hoort te zijn. Dit is nieuwe angst. Andere angst. Foute angst.

“Ratje!” Ze schudt heftig het hoofd. “Ratje! Die man wou een vuurtje van mij!”

Ik toon Anja het mes in mijn hand.

“Die kerel wou je beroven, Anja. Hij moet achter je aan zijn beginnen lopen toen ik pas van je weg was.” Ik tast zijn zakken verder af. Acht creditcards, drie internationale paspoorten. De cretino jankt. Veel meer dan een lamme schoothond is er niet van over. “Ik wil het cash geld ook voor je uittellen, hoor.”

Anja staat met de mond open, een paar tellen. Dat is de tijd die ze nodig heeft om voor zichzelf te kiezen.

“We moeten een agent zoeken.”

Geen varkens! Geen sprake van!

“Dat heeft geen zin, Anja. Die kerel komt dadelijk wel bij zijn positieven. En het zal heus niet bij hem opkomen om zelf klacht te gaan neerleggen, hoor. Kom, we gaan!”

Ik wil Anja bij de arm nemen. Ze deinst achteruit, reageert driftig.

“Laat me los! Die man bloedt!”

Fijn voor hem, laat het litteken uitgroeien tot een homp wild vlees en hem tot het einde van zijn dagen wijzen op zijn grootste zonde. Anja aanvallen met de leeuw in zijn rug? Idioot!

“Niet meer dan een schrammetje. Over enkele weken blijft er nog wat teer weefsel van over, dat maakt toch niks uit.”

We moeten weg, de taart en het mannetje komen er dadelijk aan.

“Bekijk die kerel eens van dichtbij, Anja. Het laagste van het laagste, dat is hij helemaal. Marginaal, zo goed als opgeleefd, een verslaafde misschien. In schoonheidswedstrijden heeft hij heus nooit op de eerste rij gestaan.”

Zeven minuten. De oude taart en haar mannetje verschijnen terug op het toneel. Het tikken houdt op, de wandelstok hangt secondenlang in het ijle. De taart stopt met snateren en wendt onmiddellijk de ogen af. Ook het mannetje zal dateren van na de jongste oorlog en hapt naar adem. Vreemd toch, eerst kijkt hij naar Anja, dan naar mij, dan pas naar de cretino.

Acht minuten. Het is te laat en ik besef het. Alles is voorbij. Mijn wereld staat terug op nul. Ik wil Anja’s handen in de mijne nemen maar zij duwt mij resoluut weg, deinst met een blik vol onbegrip achteruit.

“Anja, ik moet …”

Anja onderbreekt me. Haar laatste oordeel is streng.

“Ik. Weet. Niet. Wie. Jij. Bent.”

In het donkere steegje galmt de echo doordringender dan het nazinderen van de guillotine. Het vervolg is onvermijdelijk. Ik heb alweer gezondigd. Het boetekleed wacht.

“Ik moet gaan,” stamel ik.

Ze knikt, nauwelijks merkbaar.

“Ik ken jou niet,” fluistert ze. “Ik kan je niet kennen. Ik wil je ook …” Ze aarzelt. Ze zegt het niet. Ze wil het niet zeggen. Ze wil niet zeggen wat ze volgens het script zeggen moet.

Negen minuten.

“Het is best dat je nu weggaat.”

“Het is best dat ik nu wegga.”

Natuurlijk, Anja. Het staat zo in je ogen te lezen. Ik draai me om. Het verbaast me hoe snel ik die conclusie kan trekken. Na een laatste blik op de cretino ga ik verder de Salizada Moise in. Ik kijk niet achterom. Ik mag niet achterom kijken. Ik wil weg. Dat is wat Anja heeft gezegd. Ik mag nu niet bij Anja blijven.

Ik moet verdwijnen, opnieuw alleen zijn, alleen zijn bij mijn Schepper. Bij Hem zijn mijn geheimen veilig. Hij weet hoe Hij zondaars moet kooien. Hij weet hoe Hij hen verlossen moet in deze wereld, hoe hij mij verlossen moet.

Piëta. Hij zal zorgen dat Anja naar mij terugkomt.

Een reactie achterlaten